GRACE JONES (Foto: AI)

Ze begon als een onopgemerkte single in een Frans persbakje. Ze eindigde als een levende godheid van post-punk, disco en sheer audacity. Dit is hoe dat ging.

1975 — Parijs, obscuriteit

Het Begin: Niemand Luisterde

Grace Beverly Jones wordt op 19 mei 1948 geboren in Spanish Town, Jamaica, als dochter van een dominee. Ze groeit op onder strikte religieuze tucht — en besluit daar zo snel mogelijk alles van af te zetten. Op haar twaalfde verhuist ze met haar ouders naar Syracuse, New York. Ze is te groot, te luidruchtig, te alles voor Syracuse. Parijs past beter.

In de vroege jaren zeventig belandt ze in de Franse hoofdstad, waar ze samen met Jerry Hall de fotografen voor de voeten loopt door topless in disco’s te verschijnen en overal stennis te schoppen. Ze wordt ontdekt tijdens een etentje waarbij ze op tafel danst op “Dirty Ol’ Man” van The Three Degrees. Klassiek. De Nederlandstalige biografie op Muziekwereld beschrijft het moment haarscherp.


“I Need a Man” (1975)

Label: Orfeus (FR) / Beam Junction (US) · Genre: Disco, Funk · Producers: Tom Moulton

Opgenomen in Frankrijk voor het obscure label Orfeus terwijl Jones nog actief was als fotomodel. De eerste persing viel compleet dood — geen charts, geen aandacht, geen probleem. Pas na een remix en heruitgave bereikte het nummer positie 83 in de Billboard Hot 100 en vervolgens de nummer 1-positie op de Dance Club Songs chart. Geschreven door Paul Slade, een “anonieme, hardwerkende sessiegast” die Engelse lyrics schreef voor Fransen die in het Engels wilden zingen. Het nummer draagt ook bij aan haar groeiende populariteit in de gay scene.


“Sorry” / “That’s the Trouble” (1976)

Label: Orfeus (FR) / Beam Junction (US) · Genre: Disco, Soul · Dubbel A-kant

Jones wilde geen van beide nummers een B-kant noemen — ze vond B-kanten “wegwerpmateriaal.” Dus werden het twee volwaardige A-kanten, uitgebracht op zowel Orfeus in Frankrijk als Beam Junction in de VS. Een principe dat ze de rest van haar carrière zou aanhouden: geef niet toe aan de conventies van de industrie, ook al is de industrie de enige die voor je betaalt.

1977–1979 — New York, Studio 54

Portfolio: Disco Met Scherpe Tanden

In 1977 tekent Jones bij Island Records. Het label koppelt haar aan Tom Moulton — de producer die de remix uitvond én het 12-inch singleformaat tot standaard maakte. Ze neemt zangles,duikt de studio in, wordt een vaste gast op de dansvloer van Studio 54, het epicentrum van alles wat decadent en uitbundig en echt is in dat New York.

Het debutalbum Portfolio (1977) bevat de opnieuw geproduceerde eerdere singles, inclusief een cover van Edith Piafs “La Vie En Rose” — een keuze die op papier absurd klinkt maar in de praktijk volmaakt werkt. Twee verdere disco-albums volgen: Fame (1978) en Muse (1979). Solide, correct, en uiteindelijk te netjes voor iemand als Grace Jones.

“Ze was te groot voor Studio 54. Studio 54 was te klein voor haar.”

De disco-periode levert haar een stevig publiek op, met name in de gay scene. Maar de echte Jones — de gevaarlijke, onnavolgbare Jones — laat nog even op zich wachten.


“On Your Knees” (1979)

Album: Muse · Label: Island Records · Genre: Disco · Producers: Tom Moulton

De enige single van haar derde album Muse, in de meeste territoria uitgebracht als dubbel A-kant met “Don’t Mess with the Messer.” Niet haar meest memorabele werk — maar het sluit de disco-fase af en maakt de weg vrij voor wat komen gaat.

1980–1982 — Nassau, Bahamas

De Compass Point Trilogie: Oorlog Verklaard

In 1980 trekt Jones naar Nassau om te werken met producer Chris Blackwell en de Compass Point All-Stars — met het ritmische duo Sly Dunbar en Robbie Shakespeare als ruggengraat. Ze gooit de disco overboord. Ze omhelst post-punk, new wave en reggae tegelijkertijd, met een vocale benadering die tegelijk ijskoud afstandelijk en absoluut alomtegenwoordig klinkt.

Het resultaat: drie albums die gezamenlijk haar muzikale nalatenschap vormen. Futuristisch dan. Minstens zo rauw nu.


“A Rolling Stone” (1980)

Album: Warm Leatherette · Label: Island Records · Genre: Post-disco, Rock · April 1980

De eerste single van haar post-disco periode, co-geschreven door Jones zelf samen met Deniece Williams en Fritz Baskett. Geen grote hit, maar een duidelijk signaal: dit was niet meer de glitterbal-Jones van Studio 54. Dit was iemand die haar eigen muzikale vocabulaire aan het uitvinden was — en die dat vocabulaire niet voor anderen zou laten definiëren.


“Pull Up to the Bumper” (1981)

Album: Nightclubbing · Label: Island Records · Genre: Post-disco, Reggae-disco, Synth-funk · Juni 1981

Officieel gaat het over parkeren. Een lange zwarte limousine. Een krappe parkeerplaats. Je moet er even intussenknijpen. Als je denkt dat het nergens anders over gaat — schaam je. Jones zei het zelf. Het nummer piekt op nummer 12 in de UK en nummer 2 op de Amerikaanse Dance Club chart — een van de meest openlijk dubbelzinnige singles in de popmuziekgeschiedenis, en niemand kon er wat van zeggen omdat het technisch gezien gewoon over parkeren ging.

uDiscover Music omschrijft het album Nightclubbing als “een zelfverzekerde, compromisloze en verleidelijke klassieker — een fusie van Jamaicaanse ritmes met Europese post-punk.” Sly & Robbie leveren het perfecte fundament: brisk maar niet borstelig, wiegend maar nooit slap.


“Nipple to the Bottle” (1982)

Album: Living My Life · Label: Island Records · Genre: Electro-disco, Funk · Oktober 1982

Sly Dunbar en Jones co-schrijven de leadsingel van het derde en laatste Compass Point-album. Het funk-fundament is dikker, de toon eigenzinniger. Uitgebracht in sommige territoria als dubbel A-kant met “The Apple Stretching.” Een trilogie die de popmuziek grondiger beïnvloedde dan de meeste artiesten met tien albums ooit zouden doen.


“My Jamaican Guy” (1983)

Album: Living My Life · Label: Island Records · Genre: Reggae, Dub, Electro-disco · Januari 1983

Jones schrijft het zelf. Ze zingt over een Jamaicaanse man met de nonchalance van iemand die weet dat ze het beter doet dan iedereen in de kamer. De derde single van Living My Life sluit de Nassau-cyclus inhoudelijk af: drie albums, één coherent geluid, nul concessies.

1985 — New York, Power Station Studios

“Slave to the Rhythm”: Mythologie op Vinyl

Na de Compass Point-trilogie maakt Jones een uitstap naar Hollywood: naast Arnold Schwarzenegger in Conan the Destroyer (1984) en als femme fatale in de James Bond-film A View to a Kill (1985). Daarna keert ze terug naar de studio — met een nieuw label, een nieuw budget, en een producer die op dat moment de popsector met ijzeren vuist regeerde.

Trevor Horn had al bewezen dat hij popsterren kon uitvinden: Frankie Goes to Hollywood, Art of Noise, ABC. Hij liet Jones wekelijks naar de studio komen om een nieuwe versie van hetzelfde nummer op te nemen, telkens binnen dezelfde thematische grenzen. Het budget liep op tot een hallucinante $385.000. Het resultaat: acht variaties op één enkel thema — een muzikale biografie in zeven-inch porties.


“Slave to the Rhythm” (1985)

Album: Slave to the Rhythm · Label: Island / Manhattan · Genre: R&B, Funk · Oktober 1985 · Producers: Trevor Horn

Op het album verschijnt het als “Ladies and Gentlemen: Miss Grace Jones” — de laatste track, de apotheose. De single bereikt nummer 12 in de UK en nummer 1 op de Amerikaanse Billboard Hot Dance Club Play chart. Het nummer was oorspronkelijk bedoeld voor Frankie Goes to Hollywood — dat het uiteindelijk bij Jones belandde is de gelukkigste vergissing in de popgeschiedenis.

Consequence of Sound omschrijft het album als “een ervaring, een biografie, een meditatie op Grace Jones als ritmische godheid — acht versies van één nummer die elk facet van Jones’ grenzeloze artisticiteit tonen.” Jean-Paul Goude regisseert de videoclip. Die clip zet duizend andere clips in gang en is nog altijd een van de meest geciteerde producties uit de MTV-beginjaren.

“Nooit eerder of later is één muziekstuk zo vakkundig gesneden, gehakt, opnieuw verwarmd en opnieuw geserveerd in zoveel verschillende lekkernijen.”

Of het gedateerd klinkt? Soms. Maar dat hoort bij het type risico dat alleen mensen nemen die weten dat ze gelijk hebben.

1986 – heden

Na de Storm: Een Levend Monument

Na Slave to the Rhythm rolt het minder soepel. Inside Story (1986), geproduceerd door Nile Rodgers, levert één hit op (“I’m Not Perfect (But I’m Perfect for You)”) maar valt verder weg in de reclamecampagne-periode: Honda, Citroën, Arcadia. Ze is overal — maar muzikaal nergens.

Het doet er niet toe. Haar nalatenschap is op dat moment al betonnen solide. Nightclubbing staat op kortelijsten als een van de beste albums ooit gemaakt. “Pull Up to the Bumper” wordt gesampleed door generaties producers. Slave to the Rhythm wordt elk decennium opnieuw herontdekt. En Grace Jones zelf weigert simpelweg de categorieën aan te nemen die de industrie voor haar klaargelegd heeft.

In 2008 brengt ze Hurricane uit — haar eerste studioalbum in negentien jaar — en het is verrassend raak. Maar dat is een ander verhaal.

Grace Jones beïnvloedde elke vrouwelijke popster die ooit een risico durfde te nemen. De meesten weten het alleen niet.

 

Grace Jones muziekbiografie — 1975–heden.