George Harrison en My Sweet Lord kwamen op 31 augustus 1976 centraal te staan in een van de bekendste plagiaatzaken uit de popgeschiedenis. De grote vraag draaide om één opvallende overeenkomst.
Lijkt de hit uit 1970 te veel op He’s So Fine van The Chiffons?
De Amerikaanse rechter zou uiteindelijk oordelen dat Harrison auteursrechtelijk inbreuk had gemaakt. Tegelijkertijd was er geen sprake van bewezen opzettelijk plagiaat. Juist dat verschil maakt deze zaak zo interessant.
George Harrison, My Sweet Lord en de beschuldiging van plagiaat
My Sweet Lord verscheen in 1970 op Harrison’s album All Things Must Pass. Het nummer groeide uit tot een wereldwijde hit en werd een van zijn bekendste solonummers.
De melodische overeenkomst met He’s So Fine viel echter al snel op.
He’s So Fine werd in 1962 opgenomen door The Chiffons. Het nummer was geschreven door Ronnie Mack en werd in 1963 een grote Amerikaanse hit.
De rechten op het nummer kwamen uiteindelijk bij Bright Tunes Music Corporation terecht. Die muziekuitgeverij stapte in 1971 naar de rechter.
Daarmee begon een juridisch gevecht dat jaren zou duren.
De opvallende overeenkomst tussen beide nummers
De discussie ging vooral over de melodische structuur.
Wie beide nummers achter elkaar hoort, kan moeilijk om de overeenkomst heen. Vooral de herkenbare melodische frase en de manier waarop bepaalde noten worden herhaald, vertonen grote gelijkenissen.
Dat betekent juridisch echter niet automatisch dat er sprake is van plagiaat.
Auteursrecht kijkt namelijk niet alleen naar de vraag of twee nummers vergelijkbaar klinken. Ook moet worden vastgesteld welke muzikale elementen daadwerkelijk beschermd zijn.
Precies daar werd de zaak ingewikkeld.
Waarom George Harrison uiteindelijk verloor
De juridische procedure sleepte jarenlang voort. In 1976 kwam de zaak uiteindelijk voor de Amerikaanse rechter.
De rechter concludeerde dat My Sweet Lord en He’s So Fine voldoende overeenkomsten vertoonden om van auteursrechtelijke inbreuk te spreken.
Toch was er volgens de rechter geen overtuigend bewijs dat Harrison bewust had geprobeerd het eerdere nummer te kopiëren.
Dat onderscheid is essentieel.
Harrison had volgens de uitspraak niet noodzakelijk bewust willen stelen. Hij kon volgens de rechter wel onbewust een bestaande melodie hebben overgenomen.
De term “subconscious plagiarism”, oftewel onbewust plagiaat, werd daardoor onlosmakelijk met deze zaak verbonden.
My Sweet Lord was niet zomaar een hit
De ironie van de zaak werd groter doordat My Sweet Lord juist sterk verbonden was met spiritualiteit.
Harrison combineerde invloeden uit de westerse popmuziek met Indiase en religieuze elementen. Het nummer bevatte onder meer invloeden uit de Hare Krishna-beweging.
Voor Harrison was het lied veel meer dan een commerciële single.
Toch draaide de rechtszaak uiteindelijk om iets veel aardser: auteursrecht.
De rechter keek niet naar de religieuze boodschap. De juridische vraag was simpelweg of beschermde muzikale elementen waren overgenomen.
Van muziek naar miljoenenclaim
De zaak kreeg daardoor grote financiële gevolgen.
My Sweet Lord was commercieel bijzonder succesvol. Het nummer werd in verschillende landen een nummer 1-hit en leverde aanzienlijke inkomsten op.
De juridische strijd ging daarom niet alleen over muzikale inspiratie.
Er stonden grote bedragen op het spel.
Later ontstond bovendien een nieuw juridisch hoofdstuk rond de rechten op He’s So Fine. De zakelijke gevolgen van de zaak zouden Harrison en zijn muziekuitgeverij nog jarenlang bezighouden.
Waarom deze plagiaatzaak zo belangrijk bleef
De zaak rond George Harrison en My Sweet Lord werd een belangrijk voorbeeld binnen het Amerikaanse auteursrecht.
Muzikanten konden zich niet eenvoudig verdedigen met het argument dat een overeenkomst onbewust was ontstaan.
Tegelijkertijd liet de zaak zien dat inspiratie en auteursrecht juridisch verschillende zaken zijn.
Een artiest kan een melodie niet bewust kopiëren en toch aansprakelijk worden wanneer beschermde muzikale elementen in een nieuw nummer terechtkomen.
Dat klinkt eenvoudig.
In de praktijk is het aanzienlijk ingewikkelder.
31 augustus 1976 blijft een opvallende datum
Op 31 augustus 1976 kwam de juridische strijd rond My Sweet Lord opnieuw prominent voor het gerecht.
De zaak groeide uit tot een van de bekendste voorbeelden van een auteursrechtelijk conflict binnen de popmuziek.
George Harrison zou later zelf met de situatie blijven worstelen. De kwestie liet bovendien zien hoe kwetsbaar succesvolle artiesten kunnen zijn wanneer een melodie sterke overeenkomsten vertoont met eerder werk.
Een paar noten kunnen soms meer juridische problemen veroorzaken dan een heel album.
George Harrison en de erfenis van My Sweet Lord
Ondanks de rechtszaak bleef My Sweet Lord een klassieker.
Het nummer wordt nog altijd beschouwd als een belangrijk onderdeel van Harrison’s solowerk en van de muziekgeschiedenis na The Beatles.
De plagiaatzaak veranderde daar weinig aan.
Wel veranderde ze de manier waarop de muziekindustrie naar muzikale overeenkomsten keek.
George Harrison en My Sweet Lord vormen daardoor meer dan een interessant muziekverhaal. Het is ook een voorbeeld van de dunne grens tussen inspiratie, toeval en auteursrechtelijke inbreuk.
Een melodie kan blijkbaar onbewust blijven hangen.
De rekening daarvoor kan vervolgens jarenlang op de deurmat liggen.









